Van armetierig naar vooraanstaand kinderziekenhuis in 125 jaar

, door Janneke Kruse
foto: Collectie Groninger Archieven

​125 jaar geleden schonk Willem Albert Scholten, een rijke industrieel, een kinderziekenhuis aan de stad Groningen. De armetierige kliniek van toen is inmiddels uitgegroeid tot een van de grootste kinderziekenhuizen van Europa: het Beatrix Kinderziekenhuis van het UMCG. Hoogleraar kindergeneeskunde Henkjan Verkade dook op verzoek van KennisInZicht in de geschiedenisboeken, en schrok.

Henkjan VerkadeHij schrok? “Ja, ik schrok. Ik wist natuurlijk wel dat in de 19e eeuw veel kinderen stierven en dat de zorg ondermaats was, maar rond 1900 stierf nog steeds twintig procent van de kinderen in het eerste levensjaar, een astronomisch hoog sterftecijfer”, zegt Verkade.

Ook na het eerste levensjaar stierven nog veel kinderen. Ze stierven vooral aan ‘paedatrofie’ (gebrekkige groei en lichaamszwakte), aan ziekten van de spijsverteringsorganen en besmettelijke ziekten. Die werden veroorzaakt door gebrekkige hygiëne, gebrek aan schoon drinkwater, ondervoeding en armoede. De kindersterfte piekte tijdens grote uitbraken van difterie, pokken en Spaanse griep.

Kaal en schraal

En toen was daar in 1892 een kinderziekenhuis in Groningen. Dat was niet gelijk een succes, want er was ondanks de schenking van Scholten veel te weinig geld en de twee dokters die er werkten deden dat vrijwillig en in hun vrije tijd. Kindergeneeskunde was dus het resultaat van filantropie.

‘Hecht je nog niet teveel aan je kind, het kan nog doodgaan’, werd gewoon tegen ouders gezegd.

Weinigen keken om naar de zieke kinderen. Investeren in hen leek zinloos: veel kinderen gingen dood, en een investering loonde immers pas als het kind groot genoeg werd om te werken, en een bijdrage aan de maatschappij kon leveren.

“Daar schrok ik misschien nog wel het meest van, die utilistische kijk op het kind”, vertelt Verkade. “Men vroeg zich begin vorige eeuw hardop af of ze de behandeling van kinderen met ziektes als meningitis, waardoor ze wellicht gehandicapt werden en nooit productief konden worden, wel ‘geneeskunde’ konden noemen. ‘Hecht je nog niet teveel aan je kind, het kan nog doodgaan’, werd gewoon tegen ouders gezegd. De zorg voor kinderen was kaal en schraal, zeker bij de armen.”

In dat eerste jaar werden er door geldgebrek maar 68 kinderen opgenomen in het kinderziekenhuis. En zonder veel behandelmogelijkheden (er waren nauwelijks medicijnen en ook de chirurgische mogelijkheden waren zeer beperkt) was het weinig geneeskundig wat er in het kinderziekenhuis gebeurde.

Dat veranderde toen in 1909 in Groningen de eerste hoogleraar kindergeneeskunde van Nederland werd aangesteld. Het maakte van het kinderziekenhuis een academische instelling met bijpassende status en in elk geval een bepaalde garantie van financiering.

Verbeterde hygiëne en welvaart

De eerste decennia van de 20e eeuw boden betere kansen aan het kind. Er werd een zuigelingenkeuken geopend om aan maag-darmzieke zuigelingen doelmatig voedsel te verstrekken. De algehele hygiëne verbeterde, er kwam naast zuigelingen(kunst)voeding ook antibiotica en insuline op de markt en er werd gestart met vaccinaties tegen pokken en paraTBC.

Kindergeneeskunde als specialisme had echter nog weinig om het lijf. Jean Jonxis bracht daar verandering in. Toen hij in 1951 benoemd werd tot hoogleraar kindergeneeskunde, pleitte hij ervoor om net als in de inwendige geneeskunde en de Amerikaanse kindergeneeskunde subspecialisaties in te voeren.

Het eerste subspecialisme dat zich ontwikkelde was de kindercardiologie (Jonxis was de eerste die in Nederland een hartcatheterisatie bij een kind uitvoerde), maar ook de zorg voor pasgeborenen (neonatologie) nam onder zijn hoede een vlucht. Hij deed veel onderzoek naar de energiestofwisseling van pasgeborenen en bouwde zelf een ‘moderne’ versie van een couveuse, een soort zuurstoftent die tot ver na de oorlog in Nederland werd gebruikt.

Meer specialistische kennis

De specialistische kennis over de behandeling van kanker, infectieziekten en aangeboren afwijkingen nam een vlucht. “Meer kennis van een ziekte betekende dat er ook geneesmiddelen ontwikkeld werden. Was een kind met leukemie of CF halverwege de vorige eeuw nog ten dode opgeschreven, nu geneest het overgrote deel van de leukemiepatiënten en is de gemiddelde levensverwachting van kinderen met taaislijmvliesziekte 45 jaar.” 

Technische ontwikkelingen

Maar ook de technische ontwikkelingen gingen snel. Men kreeg de mogelijkheid om intraveneuze voeding toe te dienen en zo kinderen met stofwisselingsproblemen uit de gevarenzone te halen, en er kwamen steeds meer chirurgische mogelijkheden, waarvan de transplantatiegeneeskunde misschien wel het hoogtepunt is.

Een te zwaar kind gewoon naar de diëtist sturen is als een aspirine geven aan een kind met kanker: zinloos

Groningen was een van de eerste kindertransplantatiecentra van de wereld en is in Europa nog steeds vrijwel het enige centrum waar ook kinderen terecht kunnen voor transplantatie van vrijwel alle organen. Ook ontwikkelingen op de intensive care hadden grote invloed op de behandelmogelijkheden voor kinderen.

“Op een IC kunnen we de vitale functies overnemen, zodat het lichaam ondertussen kan herstellen (soms met hulp van medicijnen of een operatie). Door tijdelijk de ademhaling en bloedcirculatie over te nemen, krijgt het lichaam de kans om bijvoorbeeld een virus op te ruimen.”

Kwaliteit van leven

“Voordat we deze IC-zorg konden geven, gingen veel van deze kinderen dood, of bleven achter met ernstige handicaps”, aldus Verkade. “Toen we zoveel kinderen in leven wisten te houden, verschoof de aandacht in de laatste decennia van de 20ste eeuw steeds meer naar de lange termijn. In leven blijven is één ding, maar hoe dat leven na een behandeling eruit ziet, de kwaliteit van leven, daar kwam aandacht voor. En daarmee voor verdere verfijning van onze behandelingen.”

 “We zijn van ver gekomen”, beaamt Verkade, “maar daarmee is niet gezegd dat de grootste uitdagingen binnen de kindergeneeskunde al achter ons liggen. We hebben in de voorbije 125 jaar drie grote ontwikkelingen doorgemaakt.

Allereerst de verbeterde hygiëne en welvaart die de sterfte onder kinderen sterk heeft teruggebracht. Daarna de subspecialisaties en technische ontwikkelingen die meer kennis en behandelmogelijkheden voor zeldzame of acuut levensbedreigende ziektes bracht. Als derde de aandacht voor de lange termijn-gevolgen van onze interventies.

Maar we staan nu voor een vierde, minstens zo grote uitdaging: preventie. We merken nu dat we met al die kennis en technische hoogstandjes één ding nog niet kunnen: het gedrag van het individu beïnvloeden.”

Preventie

Want wéten hoe je met gezond gedrag bepaalde ziektes kunt voorkomen is iets heel anders dan het doen. Hoe beweeg je iemand om gezonde keuzes te maken, ook al hebben die keuzes pas over twintig of dertig jaar effect?

“We weten dat gedragstherapie om de voedingsinname van kinderen te beïnvloeden alleen maar werkt als we het héle gezin in de therapie betrekken. Een te zwaar kind gewoon naar de diëtist sturen is als een aspirine geven aan een kind met kanker: zinloos.”

Nog steeds slikken niet alle aanstaande moeders foliumzuur, krijgen niet alle kinderen extra vitamine D en K, eten sommige kinderen teveel en bewegen ze te weinig. Om over roken nog maar te zwijgen. “Ik verwacht dat dit dé uitdaging van de komende decennia is, waarmee we, als het ons lukt, een groot verschil kunnen maken in de gezondheid van kinderen. Een verschil dat nog steeds effect heeft als die kinderen later héél oud zijn geworden.” 

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.