Als Sherlock Holmes speuren naar stofwisselingsziekten

, door Marjolein te Winkel
foto: Henk Veenstra

Als student-assistent werkte Francjan van Spronsen mee aan een onderzoek naar een zeldzame stofwisselingsziekte. Daar begon hij met vragen stellen en antwoorden zoeken. Nu, als hoogleraar Kindergeneeskunde, zoekt hij verder naar de oorzaken en de gevolgen van een ontregelde stofwisseling. “Ik kan me als een Sherlock Holmes vastbijten in onderzoek.” Vandaag houdt Van Spronsen zijn oratie. 

Dat Francjan van Spronsen kinderarts zou worden was al vroeg duidelijk. Als jochie van een jaar of vier kwam hij meer dan eens bij een kinderarts die zich niet kon verplaatsen in de kinderen die hij behandelde. “Zo’n man die zonder iets te zeggen je teddybeer uit je handen pakte, omdat hij je anders niet kon onderzoeken. Volgens mijn ouders heb ik toen al gezegd: ‘Dat ga ik later anders doen.’” 

Dat idee bleef. Na de middelbare school ging hij geneeskunde studeren. De eerste jaren van zijn studie vond hij saai. Tot hij als student-assistent mocht meewerken aan een onderzoek naar de zeldzame stofwisselingsziekte PKU.

“Op de lange duur kan dit betekenen dat het IQ van een patiënt met onbehandelde PKU niet boven de 40 komt – dat is een ernstige ontwikkelingsachterstand.” ​ 

Mensen met deze ziekte kunnen een bepaald aminozuur niet of niet goed afbreken. Dit aminozuur is een bouwstof die je lichaam binnenkrijgt als je eiwitten eet. Zonder behandeling leidt dit tot een ernstige achterstand in de verstandelijke ontwikkeling. En omdat dit een aangeboren ziekte is, begint de schade al gelijk na de geboorte te ontstaan. “Op de lange duur kan dit betekenen dat het IQ van een patiënt met onbehandelde PKU niet boven de 40 komt – dat is een ernstige ontwikkelingsachterstand.” 

Maar als de ziekte wél op tijd wordt ontdekt, kan met goede behandeling die ontwikkelingsachterstand worden voorkomen. Tegenwoordig is dat het geval, omdat pasgeboren baby’s door middel van de hielprik onderzocht worden op PKU. 

De behandeling van PKU houdt in de eerste plaats in dat de patiënten heel weinig natuurlijk eiwit mogen eten. “Dus geen vlees, vis en zuivel. Maar ook geen normaal brood, geen peulvruchten, geen noten… In bijna al onze voeding zitten veel eiwitten en dat maakt dit dieet erg beperkend in het dagelijks leven. Met die eiwitbeperking geef je de juiste hoeveelheid van dat aminozuur dat je niet kunt afbreken. Maar daarmee krijg je te weinig van vele andere stoffen. Om aan te vullen wat ze allemaal missen, krijgen patiënten voedingssupplementen.”

Als student-assistent interviewde Van Spronsen ouders van jonge PKU-patiëntjes over de impact van de ziekte op het gezin. “Ouders moeten veel rekening houden met het dieet van hun kind: anders koken, goed zoeken op etiketten hoeveel eiwit in een product zit, hun kind goed voorlichten zodat het zelf, als het wat ouder is, ook weet wat het wel en niet mag eten. Geen enkel probleem, vertelden de ouders me destijds. Maar als je er wat op doorvroeg, bleek dat ze er ook veel dingen om moesten laten. Niet uit eten, niet op vakantie, want dat was allemaal te ingewikkeld. De ziekte heeft dus wel degelijk veel impact.”

De gesprekken met de ouders riepen bij de student Van Spronsen vragen op over PKU. Vragen waar hij geen antwoord op kreeg. “Mijn begeleider stelde toen voor dat ik zelf op zoek zou gaan naar de antwoorden. Zo begon ik mijn promotieonderzoek.” 

Van Spronsen promoveerde en specialiseerde zich als kinderarts in stofwisselingsziekten. Nu, als hoogleraar Kindergeneeskunde, richt hij zich in zijn onderzoek op stofwisselingsziekten als PKU, Tyrosinemie en enkele andere met vergelijkbare problematiek in de behandeling. 

Met een kans van 1 op de 18.000 is PKU de op een na meest voorkomende stofwisselingsziekte bij kinderen. Tyrosinemie is veel zeldzamer: 1 op de 250.000 kinderen krijgt deze ziekte. Bij deze ziekte wordt, net als bij PKU, een aminozuur niet of niet goed afgebroken – al gaat het hier om een ander aminozuur dan bij PKU. En er zijn meer overeenkomsten: ook deze patiënten zijn gebaat bij een eiwitarm dieet en voedingssupplementen, de ziekte wordt door middel van de hielprik tegenwoordig in bijna alle gevallen opgespoord. En deze patiënten krijgen te maken met een ontwikkelingsachterstand die soortgelijke vragen oproept als bij PKU-patiënten.

“Waar wordt die mentale achterstand door veroorzaakt? Hoe kun je die oplossen? Naar antwoorden op die vragen zijn we op zoek”, zegt Van Spronsen. Dit doet hij onder meer in een internationaal onderzoek naar patiënten met Tyrosinemie. “Met een speciaal voor dit doel ontwikkeld computerspel testen we functies van het brein. Het reactievermogen en de fouten die gemaakt worden vertellen ons veel over de ontwikkeling van een persoon. We kijken ook naar het dieet van de patiënt en de bloedspiegelwaarden, zowel de huidige als oude waarden. Met al die informatie gaan we op zoek naar verbanden, bijvoorbeeld tussen de bloedspiegelwaarden uit het verleden en het functioneren van nu.” 

En Van Spronsen wil graag een nieuw raadsel oplossen. “PKU-patiënten die geboren zijn in de tijd dat de hielprik nog niet was ingevoerd kregen, door een te late diagnose, een dermate ernstige ontwikkelingsachterstand dat ze vaak in instellingen voor verstandelijk beperkten werden opgenomen. Onderzoekers in Engeland zijn op zoek gegaan naar deze PKU-patiënten. Ze vonden slechts zo’n tien procent van het aantal dat ze verwacht hadden te vinden. ” 

“Ik loop hier regelmatig rond met vegen op mijn broek van al dat op de grond zitten.”​Hoe kan dat? “Precies! Waar zijn al die mensen gebleven? Dat is de vraag. Betekent dit dat toch niet elke onbehandelde PKU-patiënt een ontwikkelingsachterstand krijgt? En als dat zo is; wat betekent dit voor de PKU-patiënten die we sinds de hielprik allemaal behandelen met het strenge dieet en voedingssupplementen? Hebben al die patiënten wel dezelfde strenge behandeling nodig? Of is er een beschermingsmechanisme in het lichaam dat bij sommige patiënten wel werkt, en bij anderen niet?”

Van Spronsen gaat op zoek naar dat mogelijke beschermingsmechanisme en denkt na over de mogelijke gevolgen van een dergelijk beschermende factor, niet alleen voor PKU maar ook voor andere stofwisselingsziekten. Hoe werkt zoiets? Worden er patiënten streng behandeld die misschien niet zo’n strenge behandeling nodig hebben? Dat vraagt hij zich af. “Dit is spannend onderzoek. Hier kan ik me, samen met mijn promovendi, als een Sherlock Holmes in vastbijten.” 

Tot hij antwoorden op deze vragen heeft gevonden krijgen alle patiëntjes van Van Spronsen dezelfde behandeling. “We behandelen alle kinderen tot we weten wie het wel, en wie het niet nodig heeft.” Dat doet hij op zijn eigen manier, zoals hij zich dat van kinds af aan heeft voorgenomen. Niet zoals de arts die hem als klein kind behandelde, maar op gelijk niveau. Bij voorkeur zittend op de grond . “Ik loop hier regelmatig rond met vegen op mijn broek.”

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.