Biologie hersentumor begrijpen voor betere therapie

, door Anita Harte
foto: Henk Veenstra

Glioblastoom is een vrij zeldzame, maar zeer agressieve hersentumor. UMCG-hoogleraar experimentele oncologie Frank Kruyt, en patholoog Wilfred den Dunnen doen er in teamverband onderzoek naar. Daarbij maken ze gebruik van tumorweefsel van patiënten om celkweken te maken. “Zo krijg je een model dat dicht bij de werkelijkheid blijft.”

Onderzoek naar glioblastoom is complex en tegelijkertijd hard nodig, zegt Frank Kruyt. “Glioblastoom heeft een hele slechte prognose; de gemiddelde overleving is vijftien maanden.” 

Doel van het onderzoek is dan ook het vinden van verbeterde therapieën om daarmee de prognose te verbeteren. Een lange weg, die begint bij het bestuderen van celkweken in plastic schaaltjes. Om daarmee de biologie van de tumor te begrijpen en betere aangrijpingspunten te vinden voor behandeling. “Er valt nog heel veel werk te verrichten.”

​​Met 1-0 achter​

Bij glioblastoom lopen we tegen een aantal dingen aan, zegt Wilfred den Dunnen. “Ten eerste is het de plek waar de tumor zit – de hersenen – en de invas​iviteit van de tumor. Dat wil zeggen, de tumor vertakt zich in de hersenen, waardoor de chirurg niet alles kan wegsnijden. Dan sta je dus al met 1-0 achter.”

“Een tweede item is dat glioblastoom een verzameling van tumoren is, die allemaal hun eigen genetische afwijking hebben. Als je die kunt onderscheiden, hoop je ook te kunnen zeggen: dit type heeft deze aspecten en dan zouden we die therapie moeten geven.” Er wordt aan gewerkt, zegt Den Dunnen, “maar het is helaas nog niet zover.” 

Het invasieve gedrag van de tumor is één van de dingen waar Kruyt onderzoek naar doet. “Je wilt proberen om dat gedrag, die vertakkingen, te remmen en de cellen te doden.” 

​​Nieuwe celmodellen

Om goed onderzoek te kunnen doen, wordt veel gebruik gemaakt van de al genoemde celkweken in plastic schaaltjes. Vaak worden daar cellijnen voor gebruikt die soms al decennialang in kweek zijn en niet meer zoveel lijken op de oorspronkelijke tumorcellen. 

“Voor ons onderzoek naar glioblastoom zijn we begonnen met het maken van nieuwe cellijnen”, zegt Kruyt. “Daarvoor hebben we een groot aantal patient derived – dat wil zeggen: van de patiënt afgeleide – tumorcellen in kweek gebracht. De tumor in een patiënt is altijd veel complexer dan we kunnen nabootsen in een kweekschaaltje. Maar als we dan gebruik maken van vers patiëntenmateriaal, werk je in ieder geval met cellen die het meest lijken op hoe ze origineel waren.”

​Laat duidelijk zijn: bij het gebruiken van tumorweefsel wordt heel zorgvuldig gehandeld, alles gebeurt volgens geldende richtlijnen. Den Dunnen: “We doen niets wat de patiënt niet wil.” 

Weefsel voor wetenschappelijke doeleinden​​

Er zijn twee manieren waarop onderzoekers patiëntenweefsel kunnen verkrijgen. Van het weefsel dat de patholoog krijgt om de diagnose te kunnen stellen, blijft vaak wat over. Een deel daarvan moet volgens de wet bewaard blijven voor eventueel later aanvullend diagnostisch onderzoek. 

Voor het restmateriaal geldt de ‘code nader gebruik’. Dat betekent dat het weefsel na afronden van de diagnose, volledig geanonimiseerd, gebruikt mag worden voor wetenschappelijke doeleinden. Tenzij de patiënt actief bezwaar maakt. 

Een andere mogelijkheid om weefsel te verkrijgen is het actief aan de patiënt vragen of deze weefsel af wil staan voor wetenschappelijk onderzoek. 

Ontsnappin​gskunstenaars

​Met behulp van de gekweekte celmodellen zijn al wat nieuwe mechanismen gevonden die gekoppeld zijn aan verhoogd invasief gedrag van glioblastoomcellen, zegt Kruyt. “We proberen te kijken of we daar op kunnen voortborduren en een mogelijke therapie kunnen vinden.” 

Tegelijk zegt hij echter ook: “Je komt er vaak niet door één mechanisme plat te leggen. Tumorcellen zijn als het ware ontsnappingskunstenaars die steeds weer een ander pad zoeken om hun doel te bereiken.” 

Het vinden van aangrijpingspunten voor mogelijke nieuwe therapieën, is één ding. Vertalen naar de patiënt is twee. “Je vindt dingen die in de cellijnen in het laboratorium lijken te werken, maar het blijft de uitdaging om te zien of het ook werkt bij de patiënt.” 

Een lang traject, met daartussen nog het onderzoek met diermodellen. En dan nog. In grote klinische studies (waarin medicijnen bij patiënten worden getest) wordt nog weleens geconcludeerd dat een bepaalde therapie niet werkt en daar blijft het dan bij, zegt Den Dunnen. 

​“Dat zou niet moeten. Ik vind dat je dan als wetenschapper verplicht bent om te zeggen: de studie hee​ft niet gewerkt in de groep, maar bij wie wel en waarom dan? Anders kom je niet verder.” We weten namelijk écht dat bepaalde medicijnen in een subgroep van patiënten met specifieke genetische kenmerken, werkzaam zijn, zegt Kruyt. “Dat kom je bij elk tumortype tegen en dat zal bij glioblastoom niet anders zijn.” 

Lees hier meer over het ​gebruik van patiëntenmateriaal​ voor wetenschappelijk onderzoek.​
Op dinsdag 8 maart was Hersentumor​ ​onderwerp van de Medische Publieksacademie​​ van het UMCG en Dagblad van het Noorden.

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.