De Route van hoogleraar Henri Leuvenink

, door Ellis Ellenbroek
foto: Henk Veenstra

Ze zeggen wel: de weg is belangrijker is dan de bestemming. De hobbels, de stroomversnellingen, de gemiste afslagen en de vergezichten. En de reisgenoten en voorbijgangers niet te vergeten. We vragen opvallende UMCG-wetenschappers naar hun route.

Aflevering 6: Henri Leuvenink (51), hoogleraar experimentele transplantatiechirurgie

Je bent in je leven tot nu toe dertien keer verhuisd. Je vader was baptistendominee en werd om de paar jaar ergens anders beroepen. Wat heeft al dat verkassen met je gedaan?

“We verhuisden elke vier, vijf jaar. Het heeft er voor gezorgd dat ik tamelijk zelfstandig ben en overal snel aard. Ik heb maar een handjevol echte vrienden. Ik heb veel kennissen, dat wel. Ik was lange tijd ook een jobhopper. Na elke zomervakantie wou ik een andere baan. Ik deed het niet altijd, maar had het gevoel wel. Sinds 2000 wonen we in Drenthe. Esther, mijn vrouw, zei op een gegeven moment: prima, jij mag best een andere baan nemen, maar ik blijf hier wonen. Ik ga niet meer met je mee.”

Hoe belangrijk was carrière maken voor jou?

“Niet! Ik was er ook helemaal niet op uit hoogleraar te worden. Lange tijd deed ik in Groningen alles samen met Rutger Ploeg, hoogleraar chirurgie. Promovendi promoveerden bij hem, ik was copromotor. Wij waren twee handen op een buik. Toen Rutger hoogleraar werd in Oxford vond het hoofd van de afdeling dat ik hoogleraar moest worden. Van mij hoefde dat niet per se, maar ik wilde het ook niet níet.

“Wat ik belangrijk vond was dat de studenten die ik begeleid, ook bij mij konden promoveren. Dat kan alleen als je zelf hoogleraar bent. Ik wil aan mijn studenten overbrengen wat ik weet en belangrijk vind in onderzoek.

“Tijdens mijn studie medische biologie leerde ik van mijn begeleider Anton Scheurink hoe je onderzoek moet doen. Dat je moet onderzóeken, en niet moet proberen te bewijzen wat je denkt. Je moet openstaan voor alle mogelijke resultaten, en overal van leren. Ook – juist – als de resultaten niet zijn wat je had verwacht. Dat probeer ik ook aan mijn studenten over te brengen.”

Je loopbaan in Groningen begon laat, pas op je 34e. Je zocht je heil eerst in Wageningen.

“Vlak voor ik afstudeerde in Groningen solliciteerde ik bij de Landbouw Universiteit Wageningen. Ik kreeg de baan in Wageningen en ging onderzoek doen naar voedselopname bij herkauwers. Tijdens een open dag vroeg een boer aan mij: waarom doe je dit onderzoek, en wat heb ik daaraan? Die vraag verbaasde me in eerste instantie. Hoezo, wat heb ik eraan? Maar hij had natuurlijk groot gelijk. Het gaat niet alleen om onderzoek doen, het gaat ook om de toepassing.”

En toen lonkte het bedrijfsleven!

“Nutricia, nu Danone, begon een vestiging in Wageningen. Ze wilden nieuwe klinische voedingen ontwikkelen met biologische componenten. Ze wilden mij graag hebben. In eerste instantie was dit voeding voor mensen die dit, vanwege ziekte, nodig hebben.

“Maar de bedrijfscultuur, het jasje dasje; het was niks voor mij. Daar kwam bij dat mijn vrouw zei: Jij wordt een vervelende vent. Ik dacht dat ik alles wist, ik dacht dat ik alles kon. Ik vond dat iedereen naar mij moest luisteren.”

Je bent terug naar Groningen gegaan.

“Ik was in gesprek gekomen met Rutger Ploeg, toen net hoogleraar chirurgie in Groningen. Nutricia wilde onze nieuwe voedingen testen in een medische setting. Hij vond dat hartstikke leuk, maar volgens hem moest ik naar Groningen komen. Eerst zei ik nee. Ik zou een eigen afdeling krijgen binnen Nutricia, mocht zelf een team samenstellen.

“Maar het onderzoek verschoof steeds meer naar voedingssupplementen voor gezonde mensen, dat vond ik minder interessant. In Groningen zou de focus van het onderzoek liggen op zieke mensen, mensen die hulp nodig hebben. Daarom heb ik voor Groningen gekozen.

“Het was in meerdere opzichten een goede stap. Het is goed om ergens opnieuw te beginnen. De fouten die je hebt gemaakt kun je dan achter je laten, en dat wat je hebt geleerd neem je mee. Zo word je beter in wat je doet.”

Nu leid jij binnen het UMCG de afdeling die werkt aan de kwaliteit van organen die gebruikt worden voor transplantaties. De orgaanperfusiemachines, pompen waarmee organen worden doorgespoeld, vormen een belangrijk instrument daarbij. Nieren, longen, levers en darmen die eerder onbruikbaar waren kunnen worden ingezet. Wat is jouw aandeel?

“Ik ben trots op die machines. Zonder mij waren die er niet gekomen. Maar ook zonder heel veel anderen niet, hoor. En ik weet ook wel dat het ook gelukt was, als ik er niet was geweest, maar iemand anders van ongeveer mijn kaliber.”

Wat voor leidinggevende wil je zijn?

“Ik wil nu weten wie iemand is. Waar komt hij of zij vandaan? Wat zijn zijn beweegredenen? Veel mensen vertellen wát ze zijn. Ze hangen hun nut en bestaan op aan hun beroep. Ze zijn in de eerste plaats chirurg, of advocaat, noem maar op. Als ze ophouden met werken hebben ze niks meer.

“Een van mijn eerste promovendi vond voor mij de term coach-promotor uit, niet copromotor, coach-promotor. Deze jongen wilde op een dag stoppen met zijn onderzoek. Ik zei: ‘Prima, maar ga eerst maar eens naar huis, naar je ouders en als je daar drie kuub hout hebt gehakt en je wilt nog steeds stoppen, kom dan maar terug’. Hij is doorgegaan met zijn promotie.”

De vraag ligt voor de hand: Wie ben jij?

“Een gespleten persoonlijkheid. Op mijn werk een wetenschapper pur sang die het naadje van de kous wil weten. Thuis het liefst in de tuin aan het werk en aan het klussen. Werk en privé zijn ook erg gescheiden bij mij. Als ik op mijn werk de deur uitloop ben ik het kwijt. Geldt ook voor thuis.

“Ik ben ook iemand die het anderen graag naar de zin maakt. Zelf vind ik het moeilijk om te genieten. Dat komt ook uit mijn opvoeding. Bij ons werd gezegd: Je moet de ander uitnemender achten dan jezelf. Dat wil zeggen: De ander is beter dan jij. Mijn ouders verdienden bijna niks. Wij aten vaak van wat anderen ons gaven, droegen tweedehands kleren.

“Ik ben graag nodig. Mijn vrouw vraagt als ik thuiskom: Was je ook nodig vandaag? Het mooiste vind ik dat als er iets niet werkt op het lab ze mij bellen: Kun je komen helpen?”

Organ Assist heet de firma die de perfusiemachines maakt. Jij hebt daar geen aandelen of belangen. Waarom niet?

“Ik wil onafhankelijk kunnen zijn. Als ik rijk zou willen worden, kon ik ook beter weer terug naar de industrie. Amerikanen zeggen wel eens tegen mij dat ze mijn pomp gaan kopen: ‘I’m gonna make you rich’. Zal best, maar het gaat mij niet om geld.”

Wat is je droom?

“Een betere vloeistof maken voor de organen. We gebruiken University of Wisconsin Solution, die is in de jaren tachtig van de vorige eeuw gemaakt. Het is een bewaarmiddel en zeker geen optimalisatiemiddel. Ik ben er al jaren mee bezig. In mijn hoofd weet ik hoe het moet.”

Henri Leuvenink werd geboren op 19 juli 1966 in ’s-Heerenbroek, een maand te vroeg in het huis van zijn opa en oma. Als zoon van een baptistendominee verhuisde hij om de paar jaar; hij woonde onder meer in Brussel, Hengelo, Diemen, Veendam en Almelo. Hij studeerde medische biologie aan de RUG van 1987 tot 1992 en studeerde cum laude af. Hij promoveerde in Wageningen in 1998 en werkte enkele jaren bij Nutricia/Danone. In 2000 kwam hij als onderzoeker naar Groningen waar hij sinds 2014 hoogleraar is.

Leuveninks vakgebied is het verbeteren van de kwaliteit van donororganen, hij speelde een belangrijke rol bij de ontwikkeling van orgaanperfusiemachines die daarvoor gebruikt worden. Leuvenink is ook gasthoogleraar in Oxford. Hij is getrouwd met Esther Leuvenink-Baptist en heeft twee zonen.

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.