De Route van hoogleraar Ingrid Molema

, door Ellis Ellenbroek
foto: Henk Veenstra

​Ze zeggen wel: de weg is belangrijker is dan de bestemming. De hobbels, de stroomversnellingen, de gemiste afslagen en de vergezichten. En de reisgenoten en voorbijgangers niet te vergeten. We vragen opvallende UMCG-wetenschappers naar hun route.

Aflevering 1: Ingrid Molema (52), hoogleraar levenswetenschappen 

Iemand vertelde ons dat jij altijd al hoogleraar wilde worden.

“Ik wilde dierenarts worden. Maar toen mijn pony geopereerd moest worden omdat jongetjes stenen naar hem hadden gegooid, ben ik bijna flauw gevallen.

“Ik was leergierig. Als klein meisje hielp ik mijn moeder het konijn voor kerst schoon te maken. Dan keek ik naar die spieren, dat vond ik interessant. Ik leerde de Winkler Prins encyclopedie uit mijn hoofd, ging ik mijn ouders uitleggen hoe een deeltjesversneller werkt.

“Outside the box denken? Forget about it, er is geen box.”

“Ik besloot geneeskunde te gaan studeren, werd uitgeloot en kwam bij farmacie terecht. Daar zeiden ze: ‘Jij klinkt als een onderzoeker’.

Ik was de eerste student die zich meldde voor de nieuwe specialisatie farmaceutische wetenschappen. Ik moest mijn eigen onderwijsprogramma maken. Toen kreeg ik door dat het fantastisch moest zijn om hoogleraar te zijn, omdat je dan alle vrijheid hebt om te onderzoeken wat je zelf wilt.”

Kun je iets waardevols noemen dat je van huis hebt meegekregen?

“Niet lummelen. Ik verlummel mijn tijd niet. Toen ik op mijn 39e hoogleraar werd zei het hoofd P&O dat hij een tien jaar ouder iemand had verwacht, vanwege mijn uitgebreide cv.”

Je promoveerde op onderzoek naar hiv. Waar kwam de keus voor dat onderwerp vandaan?

“Het onderzoek ging over drug delivery, dat was wat me er in aantrok. Hoe kun je geneesmiddelen zodanig formuleren dat ze werken waar ze moeten werken? Hoe raak je de bijwerkingen kwijt? Het is niet zo dat ik iemand uit mijn omgeving verloren ben door hiv of aids.”

Wat doet een hoogleraar levenswetenschappen?

“Life sciences is een breed begrip maar in wezen heeft het te maken met hoe het lichaam werkt bij gezondheid en ziekte. Ik ben farmacoloog, mij gaat het om geneesmiddelwerking, bij mensen met kanker en bij kritisch zieke patiënten.

“Bloedvatwanden zijn bij drug delivery bijna altijd een barrière. Mijn lab heeft naam gemaakt met onderzoek naar de mogelijkheden om geneesmiddelen af te leveren in de kleinste bloedvaatjes in tumoren en ontstoken weefsels. De kleinste bloedvaatjes zijn in belangrijke mate betrokken bij het ziekteproces in die organen. Hoe kun je ze zo beïnvloeden dat ze tot rust komen waardoor de ziekteontwikkeling wordt geremd?”

Waar sta je nu in het onderzoeksveld?

“In 1997 – 24 januari, ik weet het nog precies, de dag dat mijn schoonvader overleed aan kanker – verscheen mijn publicatie in Science. Ik laat daarin zien dat je met een bepaalde drug delivery techniek de behandeling van kanker mogelijk heel effectief zou kunnen maken. Dat was een mijlpaal.

“Nu zijn we twintig jaar later en is de vertaling naar de mens nog steeds heel ingewikkeld. We kunnen muizen met kanker genezen, met medicijnen die de bloedvatgroei beïnvloeden. Maar mensen kunnen we nog niet genezen. Waarom niet? Dat is mijn grootste vraag en nog steeds mijn grootste uitdaging.

“We krijgen zicht op gedrag van bloedvaten in tumoren en in organen van kritisch zieke patiënten op de IC. We kunnen het gedrag van de bloedvaatjes in de organen meten als het gaat om expressie van genen. Er liggen echter nog wat technologische uitdagingen voor ons. Die hebben te maken met analyses van eiwitten die we nog niet kunnen doen.”

Je promotor, Dick Meijer, is een belangrijke inspirator voor je geweest. In welk opzicht?

“Ik zag hem een keer in de maand voor een werkbespreking. Hij had duizend ideeën en ik had er ook een paar. Hij zei: ‘Je moet doen wat jou goeddunkt’. Ook al stond hij niet achter mijn ideeën of had hij er zijn twijfels bij, hij liet mij mijn gang gaan. Ik probeer dat nu ook te doen bij jonge mensen die bij mij komen. Outside the box denken? Forget about it, er is geen box.”

Je omschrijft jezelf als ‘technieknerd’, maar staat ook bekend als iemand met een grote passie voor onderwijs.

“Anderen iets aanreiken wat voor hen nuttig is, dat heb ik ook van huis meegekregen. Of het nu het helpen van een gehandicapte in de supermarkt is, of het bijstaan van jonge wetenschappers en studenten bij het vinden van hun pad in de chaos van wat er allemaal is.

“Ik werk binnen een afdeling, de sectie medische biologie, waar veel onderwijs wordt gegeven. Op dit moment ben ik ook nog voor dertig procent van mijn tijd talentontwikkelaar bij de RUG. Ik train jonge stafleden en promovendi, van allerlei disciplines, in het zich goed voorbereiden op de volgende stap in hun carrière en het schrijven van sterke subsidieaanvragen.”

Zijn er momenten dat je denkt: ik ga heel wat anders doen?

“Ik heb in mijn promotietijd een keer mijn ontslagbrief getypt. In 1990 was dat. Ik zie mij nog zitten aan de typemachine van de secretaresse. Mijn promotor zei: 'Wat ben je aan het doen?' Ik zei: ‘Ik neem ontslág. Nu heb ik in Leuven een half jaar geprobeerd een bepaalde stof te synthetiseren, het is me niet gelukt, ik heb gefaald.’

“Mijn promotor zei: ‘Verscheur die brief. Dit is wat wetenschap is. Soms lukt het, soms lukt het niet.’

“Zes hoogleraren, kerels, allemaal in toga. Zij worden professor genoemd, en ik Ingrid. Daar zeg ik dus iets van.”

“Na mijn promotie ging ik als postdoc naar Amerika. De baas daar kon niet zo goed overweg met mensen die zo zelfstandig waren opgeleid als ik. Hij probeerde alles te controleren. Bij alles wat ik bereikte stelde hij de vraag: ‘Hoe kan dat? Hoe heb je dat gedaan? Waarom doe jij dit in een week en doet je collega er een maand over?’

“Soms zette hij een krulletje bij mijn resultaten, of een kleuterschoolstempeltje. Zo kinderachtig. In die tijd was mijn telefoonrekening naar Nederland duizend dollar.

“Mijn promotor bleek nog wat subsidiegeld te hebben liggen waarmee ik in Groningen weer aan de slag kon. Langzaam kreeg ik het gevoel voor mijn vak weer terug.”

In januari 2016 trad je aan als voorzitter van het Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren.  Dat kon er nog wel bij?

“Ze vroegen me of ik bestuurslid wilde worden, voorzitter zelfs. Ik dacht: oei, voorzitter kost twee dagen in de week. Ik heb collega’s gevraagd wat zij vinden van het LNVH. Het bleek een invloedrijke club te zijn, een interessant en effectief vehikel. Ze zitten bij alle colleges van besturen, ze spreken de minister, de KNAW-president. Toen heb ik ja gezegd.”

Minister Bussemaker van OCW geeft vijf miljoen euro voor honderd extra vrouwelijke hoogleraren in Nederland omdat streefcijfers aldoor niet gehaald worden. Komt nog bij dat vrouwen in de wetenschap minder betaald krijgen dan mannen die hetzelfde werk doen. Heb jij ervaring met ongelijke behandeling?

“Ik verbleef voor mijn promotieonderzoek een half jaar in Leuven. Daar mocht ik bij etentjes het verst weg zitten van waar het gesprek was. Er was een tafelschikking. De jongens mochten naast de belangrijkste mannen zitten.

“Iemand zei laatst tegen mij: ‘Je klinkt af en toe militant’. Maar zonder milities geen revolutie, toch?”

“Je bent allemaal gelijk, toch gelden er allemaal ongeschreven regels waardoor de praktijk anders is.

“Ik was drie jaar hoofd van de sectie. Ik hoorde via via dat specialisten die managementtaken krijgen die buiten hun specialisme vallen een managementtoelage krijgen. Ik stapte naar het hoofd van de afdeling voor een tijdelijke toelage. Drie kwartier moest ik praten als Brugman, geen resultaat. Tot ik die joker – dat ik dus wist van het bestaan van zo’n toelage – op tafel legde. Toen was het in twee minuten geregeld. Pas geleden kreeg een collega, een man, managementtaken. Ik heb hem gevraagd om met de stopwatch in de hand na te gaan hoeveel tijd hij nodig had voor het bemachtigen van die toelage.”  

Jij lijkt me niet iemand die zich de kaas van het brood laat eten.

“Zes hoogleraren, kerels, allemaal in toga. Zij worden professor genoemd, en ik Ingrid. Daar zeg ik dus iets van. Iemand zei laatst tegen mij: ‘Je klinkt af en toe militant’. Maar zonder milities geen revolutie, toch?”

Ingrid (Grietje) Molema werd op 10 oktober 1964 geboren in Wildervank. Ze studeerde farmacie aan de Rijksuniversiteit Groningen. Ze promoveerde in 1992 en ging daarna voor twee jaar als postdoc naar de Verenigde Staten (Dallas, Texas)
Terug in Nederland startte ze, met een beurs van de KNAW, haar eigen lab. In maart 2004 werd ze benoemd tot hoogleraar Life Sciences.
Tegenwoordig besteedt Molema dertig procent van haar tijd aan het begeleiden van jong wetenschappelijk RUG-talent. Sinds januari 2016 is ze bovendien voorzitter van het  Landelijk Netwerk Vrouwelijke Hoogleraren (LNVH)
In 2014 richtte Molema met twee collega’s het bedrijfje Vivomicx op dat tot doel heeft de door Molema’s lab ontwikkelde techniek om in biopten van tumoren en andere complexe weefsels van patiënten de kleinste bloedvlaatjes te onderzoeken te vermarkten.
Molema woont samen met Nicolien Wieringa (60), gepromoveerd in sociale farmacie, beleidsmedewerker bij Bureau Onderzoek van het UMCG en coach. 

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.