Taboes incontinentie te lijf

, door Diane Romashuk

​Velen hebben het, weinigen praten er graag over: incontinentie, oftewel ongewenst urineverlies. UMCG-uroloog Bert Messelink en huisarts en onderzoeker huisartsgeneeskunde Janny Dekker snijden het onderwerp juist wel graag aan, om de taboes te doorbreken en de zoektocht naar nog betere behandelingen vooruit te helpen.

Urineverlies is zo'n typisch 'deurknopfenomeen'. Dekker spreekt uit haar ervaring als huisarts. “Je ziet geregeld dat de patiënten voor andere klachten naar de dokter gaan. En dan, als het consult klaar is en ze de deurkruk bij wijze van spreken al in de handen hebben, noemen ze de incontinentie ook nog even snel.” Omdat ze zich toch generen, denkt ze. “Of omdat ze denken dat het geen klacht is waar je een dokter mee lastig kunt vallen.”

Leeftijd speelt inderdaad een rol. “Van de vrouwen boven de 45 jaar heeft zo'n tien procent wekelijks ongewenst urineverlies. Dat kan gaan om licht urineverlies, maar er zijn ook vrouwen die dertig keer per dag naar het toilet gaan en het dan nog niet droog houden.” 

Niet alleen een vr​ouwenprobleem

“Veel mensen denken dat het een vrouwenprobleem is, maar ook mannen kunnen last krijgen van incontinentie”, vult Messelink aan. “Vaak toe te schrijven aan problemen met de prostaat of de bekkenbodem. Niet of juist moeilijk kunnen plassen is een probleem dat vaker voorkomt bij mannen dan bij vrouwen.” 

“Veel mensen denken dat het een vrouwenprobleem is, maar ook mannen kunnen last krijgen van incontinentie”​

Gee​n van deze klachten zou gehaast bij de deur moeten worden afgedaan, vinden zij. Het zijn klachten waarbij goed doorvragen nodig is. Dekker: “Vaak hebben patiënten er toch veel voor ingeleverd. Bewust of onbewust. Uit angst om steeds naar het toilet te moeten of dat anderen het zien of ruiken, gaan ze bijvoorbeeld niet meer naar de sportschool of het theater.” 

“Als je de bekkenbodemspieren lang slecht gebruikt, verkleint dat de kans op herstel”, zegt Messelink. “We zien regelmatig dat patiënten met plasproblemen ook pijn hebben bij het vrijen: op momenten waarop ze bang zijn voor urineverlies gaan vrouwen proberen dat te voorkomen door de bekkenbodem aan te spannen. Bij mannelijke patiënten kunnen hierdoor erectieproblemen ontstaan.” 

​Bekkenfysiotherapie en blaastraining

Een goed gesprek met de patiënt is bovendien belangrijk om de juiste behandeling te bepalen. Er zijn verschillende soorten van incontinentie. Dekker: “Bij inspanningsincontinentie verlies je urine bij bijvoorbeeld het hoesten, lachen of springen. Bij aandrangincontinentie is er een niet te stoppen drang om te plassen.” In beide gevallen is bekkenfysiotherapie, waarbij de bekkenbodemspieren getraind worden, voor de meeste patiënten effectief. Hetzelfde geldt voor blaastraining waarbij geprobeerd wordt het plassen uit te stellen. Soms is medicatie werkzaam bij aandrangincontinentie. Messelink: “Bij de meeste patiënten zien we duidelijk verbetering, velen komen helemaal van de klachten af.” 

Soms is het probleem gecompliceerder. Dan kan de huisarts verwijzen naar het bekkenbodemcentrum. Daar behandelen en onderzoeken Messelink en zijn collega's een breed scala aan klachten rond de bekkenbodem, van verzakking tot incontinentie en seksuele problemen. Messelink: “Daarvoor hebben we uiteenlopende specialisten in huis, zoals psychologen, urologen en gynaecologen. Patiënten kunnen ook terecht op een gezamenlijk spreekuur van de uroloog en gynaecoloog.”

​Geen kunststof 'matjes'

Goede voorlichting beschouwen ze als minstens zo belangrijk als de juiste behandeling. “Uit eigen onderzoek onder vrouwen is gebleken dat maar dertig procent van de patiënten hulp zoekt. Maar als een behandeling ze actief wordt aangeboden zijn er veel meer die graag geholpen willen worden”, zegt Dekker. 

Messelink: “Soms houdt de angst voor de behandeling ze tegen. Ze zijn bijvoorbeeld bang dat ze een zogenaamd ‘matje ‘krijgen. Bij vrouwen met verzakking werden kunststof matjes onder de blaas aangebracht die regelmatig veel pijn veroorzaakten. De bandjes die we bij incontinentie gebruiken zijn daarmee niet te vergelijken.”

Door onderzoek proberen Dekker en Messelink te kijken of een bepaalde behandeling effect heeft. “We hebben bijvoorbeeld onderzocht of bij mannen met plasklachten een medicijnbehandeling of bekkenfysiotherapie beter werkt. We dachten dat de mannen liever een pil zouden willen maar het tegendeel bleek waar”, vertelt Messelink. “Voor het resultaat maakte het niet uit, beide werkten even goed.”

​Instructies op je telefoon

Ook is een pilot ged​aan om te kijken of er gemeenschappelijke kenmerken bij bepaalde patiënten zijn die maken dat fysiotherapie voor hen het meest effectief is. Dat willen we nog met een grotere testgroep gaan doen”, zegt Dekker. “Als je weet wie waar baat bij heeft, kun je een behandeling op maat geven.”

Onlangs ontvi​ng de afdeling Huisartsgeneeskunde een subsidie van het stimuleringsfonds voor gezondheidsonderzoek en zorginnovatie ZonMw. Dat wordt onder meer gestoken in de ontwikkeling van een app en in onderzoek naar de effecten daarvan. Dekker: “Daarmee kun je dan op je smartphone instructies krijgen voor oefeningen. Maar bijvoorbeeld ook push-berichten als herinnering en voor extra motivatie. Als het eenmaal beter gaat zie je toch vaak dat de aandacht voor de oefeningen weer verslapt, en daarmee ook de spieren.” 

Voor deg​enen die moeite hebben over hun plasproblemen te praten, kan de app ook drempelverlagend werken. Maar Dekker en Messelink pleitten liever nog voor het doorbreken van de taboes. “Het is gewoon zonde als mensen er mee blijven lopen terwijl er met behandeling meestal succes wordt geboekt.” 

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.