Slachtafval in plaats van proefdieren

, door Theone Joostensz

Hoe kunnen we innovatief onderzoek doen naar medicijnen en naar het ontstaan van ziekten zonder proefdieren? Henri Leuvenink, onderzoeker bij het UMCG, en Peter Olinga, onderzoeker bij de RUG, werken aan proefdiervrije innovaties die beter zijn voor mens en dier. “We spreken bewust niet over ‘alternatieven’, maar over ‘innovaties’. Een innovatie betekent dat je met een béter antwoord komt.”

Als je een nieuw medicijn op de markt wilt brengen, moet je weten of het werkt en of het veilig is. Daarom moet het eerst worden getest op dieren, dat is wettelijk zo bepaald. Pas als het middel veilig wordt bevonden, mag je het bij mensen uitproberen. Eerst bij gezonde vrijwilligers, en uiteindelijk bij patiënten.

“Als je pech hebt, dan kom je er dán pas achter dat het geneesmiddel niet werkt”, zegt Peter Olinga, adjunct-hoogleraar translationele biofarmacie. “Want een middel dat aanslaat in proefdieren, werkt lang niet altijd in mensen.” 

Onderzoek naar fibrose

Olinga spreekt uit ervaring. Hij doet al jaren onderzoek naar potentiële medicijnen tegen fibrose, een ziekte waarbij te veel littekenweefsel wordt aangemaakt in een orgaan, bijvoorbeeld de lever, als gevolg van schade door (chronische) ontstekingen. Het gezonde weefsel maakt stukje bij beetje plaats voor littekenweefsel waardoor het orgaan steeds slechter gaat werken.

“Er is nog altijd geen middel tegen fibrose gevonden”, zegt Olinga. “In muizen kunnen we deze ziekte heel goed behandelen met medicijnen, maar die medicijnen werken niet in mensen. Proefdieren verschillen gewoon teveel van mensen.”

Heel dunne weefselplakjes

Om beter aan te sluiten bij patiënten, ontwikkelde Olinga een onderzoek waarbij hij menselijk weefsel gebruikt. “We snijden heel dunne plakjes van de lever, darm of nier; wel honderd tot duizend ‘slices’. Die weefselplakjes gedragen zich buiten het lichaam als mini-orgaantjes. We kunnen er heel goed verschillende onderzoeken mee doen naar het ontstaan van fibrose en de werking van potentiële medicijnen. Met deze methode hebben we dus geen proefdieren meer nodig, én kunnen we beter zien wat er in mensen gebeurt.” 

Nieren van slachtvarkens

In het laboratorium van Henri Leuvenink, hoogleraar experimentele transplantatiechirurgie bij het UMCG, checkt MD/PhD-student Tobias hoe het ervoor staat met de twee varkensnieren die hij vanochtend vroeg bij de slager heeft opgehaald. De organen worden kunstmatig in leven gehouden in twee doorzichtige, plastic dozen; zogenaamde perfusiemachines. Deze machines pompen zuurstof en bloed door de nieren. Hierdoor blijven de nieren werken en plassen ze zelfs afvalstoffen uit in een bakje.

191202_beeld_dierproeven_nierII.jpg

“Dit is geen diervrij onderzoek, maar wel próefdiervrij”, zegt Leuvenink. “We gebruiken slachtafval, onder meer varkensnieren en longen van lammeren, om de kwaliteit van donororganen te testen en te verbeteren. Zodat we meer donororganen geschikt kunnen maken voor transplantatie.” 

Testen van medicijnen

Maar de perfusiemachines kunnen voor meer dan alleen orgaantransplantaties gebruikt worden, aldus Leuvenink: “We zijn bezig om dit model aan te passen voor andere doeleinden, zoals het testen van medicijnen tegen fibrose waar Peter aan werkt. Het probleem met donornieren is namelijk dat ze heel vaak worden afgestoten. Dat veroorzaakt ontstekingen wat leidt tot schade, en uiteindelijk tot de aanmaak van teveel littekenweefsel.”

“Onze onderzoeksmethodes vullen elkaar heel goed aan”, zegt Olinga. “Henri kijkt hoe de hele nier reageert op een bepaald geneesmiddel. Wij kunnen op een veel kleiner niveau heel gedetailleerd onderzoeken wat er in het orgaan gebeurt, dat terugkoppelen, en suggesties doen om bepaalde stoffen toe te voegen aan de perfusievloeistof.”

Transitie Proefdiervrije Innovaties

Van 27 tot en met 29 november vond in Utrecht het internationale congres plaats over de Transitie naar Proefdiervrije Innovaties. Wetenschappers, beleidsmakers, ondernemers en mensen uit de gezondheidszorg praten met elkaar over wat er moet veranderen om zoveel mogelijk proefdiervrij te werken. Ook Leuvenink en Olinga zijn van de partij.

Olinga: “Sommige onderzoeken zullen nooit helemaal proefdiervrij kunnen. Het hangt ervan af van wat je wilt weten. Bovendien schrijft de wet het in veel gevallen voor.”

Wetgeving kan innovatie flink in de weg staan, aldus de onderzoeker: “De beruchte oogirritatietest werd heel lang op konijnen uitgevoerd, ook al bestond er een betere methode waarbij de ogen van geslachte kippen werden gebruikt. Het heeft 25 jaar geduurd voordat de nieuwe methode geaccepteerd werd.”

Daarom is zo’n congres ook zo belangrijk, zegt Leuvenink: “Je deelt innovaties met elkaar, komt op nieuwe ideeën, en betrekt daar ook de politiek en de wetgevers bij.”

De drie V’s
Nederland wil in 2025 wereldwijd koploper zijn in innovatieve onderzoeksmethoden zonder proefdieren. Uitgangspunt is dat een dierproef alleen toegestaan is als er echt geen alternatief is. Het dierproevenbeleid in Nederland richt zich op de 3 V’s: verminderen, vervangen en verfijnen.

Olinga legt uit: “Verminderen betekent dat je niet honderd muizen gebruikt voor je onderzoek, maar met één muis honderd dingen test door weefselplakjes te maken. Vervangen doe je door menselijk weefsel en slachtafval te gebruiken. Bij verfijnen moet je denken aan het verminderen van ongerief bij een proefdier. Dus in plaats van dat je het dier ziek maakt om te kijken wat er gebeurt, haal je de lever eruit en díe maak je ziek.” 

De Centrale Dienst Proefdieren van het UMCG brengt een jaarverslag uit waarin allerlei informatie over de CDP is te vinden. Vroeger was dat een boekje, tegenwoordig is dat een website​

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.