Is aderlaten nog van deze tijd?

, door Marjolein te Winkel
foto: Shutterstock

​​Ben je ziek, zwak of misselijk? Kun je van de koorts bijna niet meer op je benen staan en hoest je je longen uit je lijf? Een goedgeplaatste, flink bloedende snee in je arm of been kan al die kwalen genezen – althans, dat was eeuwenlang de gedachte. Vanaf de Griekse tijd tot ver in de negentiende eeuw was aderlaten een van de meest voorkomende medische behandelingen. Moeilijk voor te stellen? Toch gebeurt aderlaten nog altijd, ook in het UMCG. In een modern jasje, dat wel.

Koningin Marie Antoinette van Frankrijk, de Britse dichter Lord Byron, de Amerikaanse president George Washington; allemaal geloofden ze heilig in de werking van aderlaten. Met de kennis van nu is dat op zijn zachtst gezegd opmerkelijk. Want aderlaten was geen kwestie van 'baat het niet, dan schaadt het niet'. De niet-steriele messen konden voor flinke infecties zorgen, en er werd te veel of te vaak bloed afgenomen. Veel patiënten – onder wie president Washington – overleden dan ook niet aan de kwaal, maar aan de behandeling.

De vier lichaamssappen

De filosofie achter het aderlaten stamt uit de Griekse tijd. De arts Hippocrates (470 – 370 voor Christus, bekend van de dokterseed) meende dat de gezondheid van een mens afhangt van een goed evenwicht van de vier lichaamssappen: bloed, slijm, gele gal en zwarte gal. 

Aderlaten was geen kwestie van 'baat het niet, dan schaadt het niet'

Was dat evenwicht er niet, dan werd iemand ziek. Genezen was een zaak van het herstellen van het evenwicht van lichaamssappen, bijvoorbeeld door bij een patiënt bloed af te nemen. Tegen koorts, buikkrampen en hoofdpijn, maar vaak ook preventief. De hofarts van Marie Antoinette meende bijvoorbeeld dat aderlating ervoor zou zorgen dat ze sneller zwanger zou raken.

Aan het eind van de negentiende eeuw brokkelde de theorie van de vier lichaamssappen af en verminderde de populariteit van aderlaten aanzienlijk. Toch wordt aderlaten nog altijd toegepast, bijvoorbeeld door hematoloog Marco de Groot van het UMCG. Op een moderne manier, dat wel. "Ik maak geen sneeën in armen of benen. De techniek is er op vooruit gegaan."

Te veel rode bloedcellen

Dat geldt ook voor de wetenschappelijke kennis, bijvoorbeeld over de samenstelling van bloed en de aanmaak van rode bloedcellen. Die aanmaak begint in de nieren, die het hormoon erytropoëtine aanmaken, kortweg epo. Dit hormoon geeft een signaaltje aan het beenmerg, dat daarop rode bloedcellen aanmaakt. "Door een mutatie in een gen kan die aanmaak veel harder gaan dan nodig is. Het gevolg: veel te veel rode bloedcellen en dik, stroperig bloed met een hoge kans op bloedpropjes die bijvoorbeeld in de longen of in de hersenen terecht kunnen komen en levensgevaarlijk kunnen zijn", legt De Groot uit. Polycythaemia Vera heet deze aandoening, en De Groot behandelt de patiënten in een vroege fase bij voorkeur met aderlaten. "Per keer halen we ongeveer vijfhonderd milliliter bloed weg. Het lichaam maakt vervolgens nieuw bloed, maar de aanmaak van rode bloedlichaampjes gaat veel langzamer dan de aanmaak van bloedplasma. Zo neemt de hoeveelheid rode bloedlichaampjes in het bloed af. We streven ernaar om het percentage rode bloedcellen bij de mannen onder 45 te brengen en bij vrouwen onder 42." Ook medicijnen kunnen ervoor zorgen dat de bloedwaarden van patiënten met Polycythaemia Vera verbeteren, maar De Groot geeft de voorkeur aan aderlaten, want: "dat geeft geen bijwerkingen, medicijnen wel."

Een overschot aan ijzer kwijtraken

Patiënten met de erfelijke stofwisselingsziekte hemochromatose hebben een ander probleem met hun bloedwaarden: een overschot aan ijzer. Hun darmen nemen veel te veel ijzer op in het bloed. "Bij gezonde mensen zorgen de darmen ervoor dat je precies genoeg ijzer krijgt, want een teveel aan ijzer in je bloed raak je niet zomaar kwijt. Je lichaam gaat dan in alle organen ijzer achterlaten: in je lever, je hart, je alvleesklier, je huid en ga zo maar door. IJzerstapeling noemen we dit, en het is schadelijk voor de gezondheid. Dus het is belangrijk dat deze patiënten zo vroeg mogelijk het teveel aan ijzer in hun bloed kwijtraken. Inderdaad, door aderlaten."

Voor vijftien jaar ijzer

IJzerstapeling komt ook voor bij een grote groep patiënten die niet in aanmerking komt voor aderlaten: patiënten die bloedtransfusies krijgen. "In één zakje bloed zit voor tweehonderd dagen aan ijzer", zegt De Groot. "Dat is veel te veel. Maar aderlaten kan niet bij deze patiënten, zij hebben juist bloed nodig." Patiënten met acute leukemie, wier beenmerg door kwaadaardige cellen is aangetast, krijgen vaak ook bloed toegediend. "Chemokuren vallen de kankercellen aan, maar ook de goede cellen worden door de chemo gedood. Deze patiënten krijgen in drie maanden tijd soms wel 25 zakken bloed – daar zit voor vijftien jaar ijzer in. Na de behandeling moeten ze van al dat ijzer af en dat duurt even: je moet net zoveel aderlaten als je bloed hebt gekregen. De patiënten komen hier maandenlang, soms zelf langer dan een jaar", zegt De Groot.

Hij besluit: "Wist je trouwens dat de eerste bloedtransfusies ook gewoon rechtstreeks van mens tot mens werden uitgevoerd, zonder dat er ook maar enige kennis was van de verschillende bloedgroepen? Dat ging vaker niet goed dan wel." Ook dat is tegenwoordig wel anders.​​​​

De vier temperamen​ten
Volgens de oude Grieken beïnvloedde een tekort over een overschot aan een van de vier lichaamssappen ook de stemmig. Zo zouden vurige, energieke mensen veel bloed hebben, zij werden sanguinisch genoemd. Iemand met te veel gele gal was cholerisch, en zou snel kwaad worden. Flegmatische mensen hadden te veel slijm en waren vooral kalm en weinig emotioneel. En tot slot de melancholische mensen met te veel zwarte gal: zij waren neerslachtig, introvert en depressief – zwartgallig inderdaad.

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.