Kun je psychiatrische stoornissen vaststellen met een hersenscan?

, door Christine Dirkse
foto: Shutterstock

Zou het in de toekomst mogelijk worden om met een bloedtest of hersenscan vast te stellen of iemand depressief is of een bipolaire stoornis heeft? We vragen het onderzoeker en psychiater Benno Haarman van het Universitair Centrum Psychiatrie van het UMCG in Groningen. Hij ging voor zijn promotieonderzoek zelf op zoek naar zo’n biomarker bij bipolaire stoornissen.

Psychiatrische aandoeningen worden vastgesteld op basis van de DSM-5, het handboek waarin symptomen voor psychiatrische stoornissen staan beschreven, en richtlijnen om een diagnose te stellen.

“Dat maakt het stellen van diagnoses soms lastig: psychiatrische stoornissen hebben overlappende symptomen en onderscheid is niet altijd eenvoudig,” legt Haarman uit.

Een diagnose stellen op basis van een bloedtest of hersenscan zou de diagnoses eenvoudiger en nauwkeuriger kunnen maken. Maar het is niet altijd duidelijk wat precies het verband is tussen afwijkingen in het brein of bloed en psychiatrische stoornissen.

Meer dan alleen genen

Toen het zo’n 25 jaar geleden goed mogelijk werd om DNA te onderzoeken, probeerden onderzoekers op basis van genetisch onderzoek genen te vinden die de oorzaak van psychiatrische stoornissen zouden zijn. “We vergeleken dan het genoom van een groep mensen met een psychiatrische stoornis met het genoom van mensen zonder deze stoornis. Dat heeft wel wat opgeleverd, maar niet heel veel. Inmiddels zijn we erachter dat het zo eenvoudig niet ligt, omdat er veel meer meespeelt dan alleen de genen die je van je ouders mee krijgt.”

Ook eiwitten die het DNA beïnvloeden, boodschapperstoffen in de hersenen, de bouw van de cellen en immuunactiviteit van het lichaam lijken een belangrijke rol te spelen. “Van bipolaire stoornissen weten we bijvoorbeeld dat maar ongeveer 50 procent genetisch bepaald is. Ook de omgeving speelt een belangrijke rol bij het ontstaan van die stoornis.”

Op zoek naar biomarkers

Dus zoeken wetenschappers nu verder dan alleen het genoom, naar allerlei kenmerken die mensen met een bepaalde stoornis wel hebben en andere mensen niet, een zogenaamde biomarker. Die biomarkers worden op allerlei gebieden gezocht: hersenafwijkingen die je op hersenscans kunt aantonen, ontstekingsfactoren in het bloed of in ruggenmergvloeistof en kenmerken van cellen.

Haarman deed zelf ook een dergelijk onderzoek. Hij onderzocht onder andere de ontstekingsactiviteit in de hersenen van mensen met een bipolaire stoornis. “Je ziet dat er bij mensen met een bipolaire stoornis extra ontstekingsactiviteit is in bepaalde gebieden van de hersenen.”

Veel of weinig boterhammen

Als er eenmaal een overeenkomst is gevonden bij al die mensen met een bepaalde stoornis, zou je denken dat je dat zou kunnen gebruiken om een diagnose te stellen. Toch is het niet zo simpel, legt Haarman uit. “Als je al een biomarker vindt die meer of minder aanwezig is bij mensen met een bepaalde stoornis en bij anderen niet, dan ben je er nog niet. Het is vaak niet zo zwart-wit, het gaat vaak om subtiele toename of afname van een stof.”

Dat kun je vergelijken met het eten van brood. Als iemand normaal gesproken vijf boterhammen eet, ga je vermoeden dat hij ziek is als hij er opeens maar twee eet. Maar voor veel andere mensen is twee boterhammen bij het ontbijt heel gewoon. Dat maakt de hoeveelheid boterhammen die iemand eet geen goede maat voor ziek zijn, tenzij je het vergelijkt met wat hij normaal eet.

Zo kun je eiwitten of andere stoffen in het lichaam dus eigenlijk alleen als biomarker gebruiken als je weet hoeveel van dat eiwit aanwezig was voordat er klachten begonnen. “Ook kan de aanwezigheid van een stof bijvoorbeeld per moment verschillen, bijvoorbeeld alleen tijdens een slechte periode. Als iemand dus een wat betere periode heeft, kun je aan de immuunactiviteit in het bloed dus niet duidelijk zien of er sprake is van een bipolaire stoornis.”

Puzzelstukjes

Wat hebben we dan nog aan de zoektocht naar biomarkers? “‘Dankzij dit soort onderzoeken zijn we veel meer te weten gekomen over de werking van het brein en interacties met het immuunsysteem in de hersenen en in het bloed. En dat kan op termijn zeker wel leiden tot betere zorg. Het zijn allemaal kleine puzzelstukjes die we vinden. Je moet alleen wel realistisch zijn. Al die puzzelstukjes samenvoegen is veel werk, en er ontbreken nu nog veel puzzelstukjes: het brein is erg complex. Maar je moet wel durven hopen, al het onderzoek gaat uiteindelijk wel wat opleveren.”

Toekomst 

Ondanks alle toegenomen kennis kan er in de diagnose en behandeling van psychiatrische patiënten nog veel verbeterd worden. “Er is eerst veel meer kennis nodig voordat we het in de praktijk echt kunnen gebruiken.”

Maar gaan we uiteindelijk met bijvoorbeeld een bloedtest diagnoses stellen? “Ik denk dat dat heel moeilijk wordt. Maar ik verwacht wel dat we biomarkers kunnen gaan gebruiken om vast te stellen welke behandeling iemand nodig heeft en wat de prognose is. Dat zou de zorg ook al veel beter kunnen maken.”

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.