Lang last van lichte hersenschudding

, door Diane Romashuk
foto: Antoinette Borchert

​​Je noemt het ‘lichte’ hersenschudding, toch worden veel patiënten daarna nog maandenlang getergd door fikse klachten. Komt dat echt door de klap of speelt hoe mensen omgaan met tegenslag ook een rol? Het antwoord zoekt UMCG-neurologe Joukje van der Naalt in een landelijk onderzoek.

Door een ongeval komen jaarlijks 85 duizend patiënten met een hersenschudding of –kneuzing binnen bij de spoedeisende hulp. Hiervan heeft 80 tot 85 procent licht hersenletsel. Desondanks hebben artsen weinig zicht op de gevolgen. “Meestal mogen patiënten dezelfde dag al naar huis. Daarna zien wij ze niet meer”, verklaart Van der Naalt.

“De klachten kunnen ook blijven of verergeren omdat patiënten verschillend met pijn en tegenslag omgaan”

Recent is een groot onderzoek gestart om dit te veranderen. Gecoördineerd door het UMCG werken het VU Medisch Centrum (Amsterdam), het St.Elisabeth Ziekenhuis (Tilburg) en het Medisch Spectrum Twente (Enschede) hier aan mee. Van der Naalt is de projectleider.

​Verborgen groep

Een meerderheid herstelt goed, maar een op de drie patiënten lukt het een half jaar later nog niet om weer te werken of studeren zoals voorheen. Zij hebben hoofdpijn, concentratieproblemen en zijn constant moe.  “Voor ons een verborgen groep. Het duurt vaak weken, soms zelfs maanden, voordat ze bij een dokter aan de bel trekken.”

Veel van hen proberen eerst zelf hun activiteiten weer op te pakken. “Het is lastig aan je baas uit te leggen dat werkhervatting niet lukt. Bij een hersenschudding is vaak geen zichtbare handicap aanwezig. Na een tijdje slaat dan toch de schrik toe: zou ik blijvende schade hebben opgelopen?” Of dat zo is, moet duidelijk worden door duizend patiënten een jaar lang te volgen. 

​Te voorzien

“De klachten kunnen ook blijven of verergeren omdat patiënten verschillend met pijn en tegenslag omgaan”, zegt Van der Naalt. Dit heet de ‘copingstijl’ en die kan passief of actief zijn. “Stel, iemand heeft concentratieproblemen maar wordt op zijn werk geacht meerdere taken tegelijk te doen. Mensen met een actieve copingstijl gaan oplossingsgericht te werk: richten zich op een taak tegelijk of nemen meer tijd. Patiënten met een passieve houding laten problemen over zich heen komen of proberen juist direct alles weer tegelijk te doen. Daardoor kunnen klachten ook erger worden.”

Als coping een rol speelt, kun je voorzien welke patiënten met een lichte hersenschudding eerder klachten ontwikkelen. “Dan kun je hen al vroeg begeleiding bieden om dat te voorkomen. Met gedragstherapie bijvoorbeeld, waarbij ze een actievere copingstijl aanleren.”

​​Onderzoek

De afdeling neurologie werkt voor het onderzoek, UPFRONT-studie genoemd,  samen met neuropsychologe Joke Spikman en onderzoeksinstituut BCN Brain van de Groninger Rijksuniversiteit. Van de Hersenstichting kregen ze 600 duizend euro subsidie. De eerste negentig patiënten hebben, sinds de start van het onderzoek in januari, toegezegd mee te doen.

Zij moeten thuis op vier tijdstippen na het ongeval een vragenlijst invullen over hun werkhervatting, persoonlijkheid en klachten. Bij patiënten die twee weken na het ongeval veel klachten hebben wordt begeleiding via een psycholoog aangeboden. Daarnaast krijgt een aantal patiënten een MRI-scan om te zien of hersenbeschadigingen ook aantoonbaar zijn. Promovendus Hans van der Horn vertelt in het Neuro Imaging Center aan de Antonius Deusinglaan hoe dat werkt.

​Hersenactiviteit

Een collega ligt klaar om in de scanner te worden geschoven. “Hij heeft geen hersenletsel maar is een gezonde proefpersoon. We testen vier groepen om verschillen te kunnen zien”, zegt Van der Horn. “Gezonde vrijwilligers, mensen met een lichte hersenschudding met én zonder klachten, en patiënten waarbij op de CT-scan, gemaakt op de eerste hulp, al afwijkingen waren te zien.”

De gebruikte MRI-scanner maakt een afdruk van de hersenen via een magnetisch veld dat twee keer zo sterk is als dat van MRI-scanners in het ziekenhuis en levert betere plaatjes op. De promovendus maakt hiermee een gedetailleerde anatomische hersenscan en functionele MRI-scans (fMRI). Met de fMRI kan de hersenactiviteit in rust en tijdens het uitvoeren van een geheugentaak worden vastgelegd. “Als iemand bijvoorbeeld concentratieproblemen heeft kunnen we zo kijken naar de hersendelen die betrokken zijn bij die taak. Daarnaast kunnen we zien of door het ongeval toch beschadigingen zijn opgetreden.”

Bij mensen met klachten wordt dit na een paar maanden herhaald. “In de tussentijd gaan ze naar de psycholoog en krijgen ze gedragstherapie. Zo zien we daarna of dat effect heeft en of de hersenactiviteit is veranderd.”

​​Geduld

Een uur later kan de collega weer uit de scanner komen. Tijd voor conclusies is het dan nog niet, het onderzoek duurt vier jaar. Maar Van der Naalt weet waarmee het geduld wordt beloond. “Nu duurt het soms maanden voordat patiënten de juiste behandeling krijgen. Dat past niet bij de ‘Healthy Aging’-gedachte van het UMCG om mensen na een ongeval of ziekte zo goed mogelijk te laten functioneren. Het zou dus mooi zijn als we mensen met licht hersenletsel straks beter en sneller kunnen helpen.”

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.