Muizen verhuizen voor kankeronderzoek

, door Maaike Muller
foto: Henk Veenstra

In tachtig procent van de kankers komen cellen voor met een verkeerd aantal chromosomen. Bij de celdeling is iets fout gegaan. UMCG-onderzoeker Floris Foijer wil weten hoe deze ‘foute’ cellen ontstaan en wat hun rol is in de ontwikkeling van kanker. Hij verhuisde onlangs van Engeland naar Groningen, met zijn onderzoeksmuizen.

Wat onderzoek je?

“Ik onderzoek aneuploïde cellen. Normaal als menselijke cellen delen, krijgen beide nieuwe cellen 46 chromosomen. Soms gaat er iets mis en krijgen de cellen een verkeerd aantal chromosomen, 45 bijvoorbeeld of 47. Ik wil weten hoe deze zogenoemde aneuploïde cellen ontstaan en, nog belangrijker, welke gevolgen ze hebben.”

Waarom is het zo belangrijk meer over deze cellen te weten te komen?

“We weten dat bij 80 procent van de mensen met kanker de kankercellen aneuploïde zijn. Als je een geneesmiddel kunt ontwikkelen dat specifiek die cellen te grazen neemt, dan heb je potentieel een behandeling voor 80 procent van de kankers te pakken.

De klassieke therapie is eerst de tumor wegsnijden en dan de abnormaal snel delende kankercellen stoppen met chemotherapie. Chemo geeft DNA-schade aan snel delende cellen, waardoor ze dood gaan. Niet alleen de kankercellen sterven hierdoor, maar ook de cellen van het haar, de nagels en het bloed. De patiënt kan hierdoor bloedarmoede krijgen, misselijk worden en het haar kan uitvallen.

Sommige cellen krijgen wel DNA-schade door de chemotherapie, maar gaan niet dood. Op de lange termijn kunnen deze cellen opnieuw kanker veroorzaken. Als we iets kunnen maken dat alleen aneuploïde cellen doodt, kunnen we mogelijk 80 procent van de kankers beter behandelen.”

Hoe onderzoek je die ‘foute’ cellen?

“In celkweekjes en in muizen. In celkweek, een plastic schaaltje met cellen, kun je vrij eenvoudig en snel basismechanismes als celdeling bekijken. Het punt met onderzoek naar aneuploïde cellen is dat deze in celkweek meteen doodgaan. Terwijl we weten dat aneuploïde kankercellen juist erg goed delen.

Ik wil weten wat er met die verkeerde cellen gebeurt, waardoor ze toch zo goed overleven. Ik had dus een andere onderzoeksmethode nodig. Muizen staan genetisch vrij dicht bij de mens, dus muizen staan in onderzoek vaak model voor de mens. Ik heb daarom muizenstammen gefokt waarin cellen naar keuze aneuploïde kan maken.”

Wat heb je van dat onderzoek geleerd?

“Ik ben begonnen met muizen waarin ik de T-cellen, de afweercellen die ons normaal beschermen tegen bijvoorbeeld griep, aneuploïde maak. Met opzet. Een muis kan overleven zonder T-cellen, dus zouden de cellen de aneuploïdie niet overleven, dan bleef de muis toch leven. Maakten we alleen de T-cellen aneuploïd, dan gingen de meeste cellen inderdaad dood.

Maar verwijderden we daarnaast ook p53, een gen dat tegen kanker beschermt, dan bleek de aneuploïde cellen te overleven. Sterker: ze versnelden het ontstaan van de kanker. Bovendien kwamen we erachter dat de kankercellen vaak een extra kopie van bepaalde chromosomen hadden. Met die informatie zijn we weer een stap verder in het kankeronderzoek.”

Doet het je iets, dat je met proefdieren werkt?

“Ik ben vrijwel mijn hele leven vegetariër, probeer alleen biologisch te eten, ben fel tegen bio-industrie en toch geef ik muizen kanker. Ik ben ervan overtuigd, en vele wetenschappers met mij, dat dit een noodzakelijk kwaad is om meer over kanker te leren. Waar celkweken tekort schieten, kunnen we veel leren van muismodellen. Fundamenteel, dus over het ontstaan van kanker. Maar ook de kliniek kan veel baat hebben bij mijn muismodellen. Zo kun je in een muismodel onderzoeken of een geneesmiddel werkt.”

Je werkte eerder in de Verenigde Staten, aan de Harvard Medical School in Boston en in Engeland, in het prestigieuze Wellcome Trust Sanger Institute in Cambridge. Wat deed jou, met je muizen, verhuizen naar Groningen?

“Mijn vrouw, die ook wetenschapper is, en ik wilden graag weer naar Nederland. In Groningen was men net bezig met het opzetten van Eriba, een instituut dat fundamenteel onderzoek doet naar de biologie van veroudering. Hier kan ik samenwerken met fantastische onderzoekers als Peter Lansdorp en Gerald de Haan. Bovendien kreeg ik de mogelijkheid mijn eigen onderzoeksgroep op te richten en mee te werken aan de opbouw van een instituut van internationale statuur. Die uitdaging en de zelfstandigheid die ik kreeg maakten dat ik niet lang hoefde na te denken.”

Floris Foijer werd met zijn studie Bioprocestechnologie in Wageningen klaargestoomd voor een baan in de biochemische industrie. Maar hij dook het medisch-wetenschappelijke onderzoek in. “Ik hoop iets bij te kunnen dragen aan het bestrijden van kanker en het ontwikkelen van nieuwe geneesmiddelen.”
Tijdens zijn afstuderen leerde hij in het Nederlands Kankerinstituut veel over kanker. Hij bleef er voor zijn promotieonderzoek, waarin hij startte met dierproeven. Inmiddels was hij gegrepen door de ‘raadsels’ van aneuploïde cellen: hoe ontstaan deze cellen met teveel of te weinig chromosomen en wat is hun rol in het ontstaan van kanker?
Foijer vertrok naar de Harvard Medical School in Boston, waar ze muizenstammen hadden die hij voor zijn onderzoek kon gebruiken. Daarna verhuisde hij naar het Engelse Cambridge, waar hij zijn onderzoek voortzette. Eind vorig jaar verhuisde Foijer naar Groningen, samen met ongeveer 200 onderzoeksmuizen, om zijn eigen onderzoeksgroep bij Eriba te starten.

Vervanging, vermindering, verfijning
Onderzoekers van het UMCG en de Rijksuniversiteit Groningen kunnen sinds februari 2011 terecht in de nieuwe proefdierfaciliteit op het UMCG-terrein. Wie er even rondloopt en spreekt met de medewerkers, wordt duidelijk hoe hier alles wordt gedaan om het welzijn van de dieren te vergroten. Daarbij wordt ingezet op drie V’s: vervanging, vermindering en verfijning. Iedere onderzoeker moet zich afvragen of de dierproef ook is te vervangen door een andere onderzoeksmethode. Kun je hetzelfde te weten komen door een experiment uit te voeren met cellen of computersimulaties?
Een onderzoeker is bovendien verplicht aan te tonen dat hij zo min mogelijk dieren nodig heeft voor zijn onderzoek. En met verfijning wordt bedoeld dat het ongerief voor de dieren wordt verminderd. Bijvoorbeeld door verbetering van anesthesiemethoden en uitbreiding van de kennis van de biologische eigenschappen van het dier.

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.