Onderzoek naar betere screening van prostaatkanker

, door Anita Harte
foto: Shutterstock

De behandeling weten we, maar de vraag is of we de juiste patiënt vinden. Dat zegt UMCG-hoogleraar urologie Igle Jan de Jong over onderzoek naar prostaatkanker. “De PSA-test voldoet niet en vindt veel patiënten met ‘slapende’ kanker, maar we hadden niets beters.” Uit onderzoek naar nieuwe testen verwacht hij binnen vijf jaar een urinetest die wel de kanker vindt die er toe doet.

Een verhoogde PSA-waarde leidt, in combinatie met een vergrote prostaat, meestal tot vervolgonderzoek en – als kanker wordt vastgesteld – behandeling. Vaak echter onnodig, zegt De Jong.

“Dat komt doordat de PSA-test geen onderscheid maakt tussen agressieve kanker en laagrisico of ‘slapende’ kanker. In dertig tot veertig procent van de gevallen stellen we een laagrisico kanker vast, waarbij actief controleren de beste behandeling is. Toch brengt de diagnose onrust en de neiging tot behandelen, met schade als plasklachten, erectiestoornissen en onvruchtbaarheid tot gevolg. Je vindt ze dus liever niet, want ook zonder behandeling zal deze groep er niet aan overlijden.”

Merkstoffen

Er wordt al jaren gezocht naar betere testen om prostaatkanker op te sporen. “Door de enorme explosie van de technologie komt dat nu in een stroomversnelling”, zegt De Jong. “We kunnen steeds verfijnder (genetische) stoffen vinden in bloed en urine.”

In 2010 startte een groot onderzoek (Prostate Cancer Molecular Medicine - PCMM), waarin naast het UMCG ondermeer het Radboud UMC Nijmegen en het Erasmus MC Rotterdam samenwerken. Het Erasmus leidde het onderzoek naar nieuwe merkstoffen, stoffen die kanker kunnen aantonen, en daar zijn twee potentiële stoffen uitgekomen.

Op dit moment worden die verder onderzocht bij patiënten, onder andere uit het UMCG. “Er wordt gekeken of deze merkstoffen betrouwbaar genoeg zijn en of je daarmee wél alleen de gevaarlijke kanker vindt.” De Jong verwacht dat hieruit binnen vijf jaar een urinetest is ontwikkeld die de PSA-test kan vervangen.

Bevolkingsonderzoek

Prostaatkanker is het meest voorkomende type kanker bij mannen. Daarom is al vanaf de jaren negentig in onderzoeksverband gekeken of bevolkingsonderzoek zinvol is. Niet met de huidige PSA-test, zo bleek. “Juist omdat je dan veel mannen onnodig zou gaan behandelen.”

“We willen waarde toevoegen en dat kan ook betekenen dat je dingen niet doet, zodat onnodige schade wordt voorkomen.”

Nu valt met de PSA-test het grootste voordeel te behalen bij de 55 to 60-jarigen. “Als je ouder bent dan 70, zal het vaststellen van prostaatkanker weinig verschil maken voor de levensduur. Je overlijdt dan na vijftien tot twintig jaar eerder aan ouderdom of andere kwalen, dan aan prostaatkanker.”

De komst van een urinetest kan dat mogelijk veranderen, denkt De Jong. “Als je daarmee scherper kunt selecteren en alleen de mannen eruit haalt met de gevaarlijke kanker, kun je vervolgens opnieuw onderzoeken of effectief bevolkingsonderzoek mogelijk is.”

Prostaatwijzer

Uit het Rotterdamse onderzoek is ook de prostaatwijzer ontwikkeld, een applicatie waarmee artsen op basis van de PSA-waarde, de grootte van de prostaat en een aantal andere punten, vaststellen hoe groot de kans is op een kwaadaardige tumor. “Ook hiermee hoop je te voorkomen dat je een  groot aantal mannen onnodig verder onderzoekt en de diagnose geeft.”

“Met de PSA-test, maar ook met een urinetest, stellen we alleen vast dat er kanker zit. Om gericht te kunnen behandelen wil je weten waar precies”, zegt De Jong. Onder zijn leiding vindt binnen het genoemde PCMM-onderzoek onderzoek plaats naar verbeterde scanmethodes om de tumor nauwkeuriger in beeld te krijgen.

“Na de diagnose kunnen we bestralen of opereren, daar valt niet veel meer aan te verbeteren. Dat kan nog wel bij patiënten met teruggekeerde prostaatkanker na een operatie of bestraling en bij patiënten met uitzaaiingen die we kunnen behandelen met vier of vijf geneesmiddelen. Om ook dan maatwerk te leveren, moet je weten waar de tumor zit.”

Verbeterde scans

Zijn Groningse onderzoeksgroep zoekt al jaren naar moleculen die op prostaatkankercellen zitten, en niet op gezonde cellen, die met een scan met een nieuwe merkstof zichtbaar te maken zijn. “Met de PET-CT scan met Choline (een radioactieve stof), die we nu zo’n twintig jaar gebruiken, zijn we een heel eind gekomen, maar het moet beter kunnen.”

Het blijkt namelijk dat de Choline niet alleen in kankercellen aanwezig is, maar ook in onrustige cellen en daarmee geldt eigenlijk net als bij de PSA-test dat een afwijkende scan niet altijd betekent dat er een tumor is. “We onderzoeken nu hoe goed de Cholinescan eigenlijk is en vergelijken het vervolgens met de nieuwe PSMA-scan en de MRI-scan om te zien of en hoe we de tumor nog beter in beeld kunnen krijgen.”

Doel van alle onderzoeken is om de juiste patiënt te vinden. “Met de kanker die er toe doet”, zegt De Jong. En om te kunnen behandelen op maat en een bepaalde behandeling niet te doen als uit scans al blijkt dat het niet gaat werken. “We willen waarde toevoegen en dat kan ook betekenen dat je dingen niet doet, zodat onnodige schade wordt voorkomen.”

Medische Publieksacademie 
Op dinsdag 27 september was er in het UMCG een Medische Publieksacademie over prostaatkanker. Igle Jan de Jong, Bart Vanhauten en Sjoukje Oosting vertelden over de behandeling van en het onderzoek naar deze aandoening.

De Medische Publieksacademie is opgericht door UMCG en Dagblad van het Noorden. Met de Medische Publieksacademie wil het UMCG een brug slaan tussen het toponderzoek dat in het UMCG plaatsvindt en de interesse hiervoor van het publiek.

Lees hier meer over de behandeling van prostaatkanker in het UMCG

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.