Waar blijft je vet als je afvalt?

, door Margriet Bos
foto: Shutterstock

Er mogen best wat kilo’s af; wie denkt dat niet zo na de zomervakantie? Het Ministerie van Volksgezondheid, Welzijn en Sport becijferde kort geleden dat 62 procent van de volwassen Nederlanders in 2040 te maken heeft van overgewicht. Wie gezonder wil leven, heeft al baat bij 5 procent gewichtsverlies. Maar eh… waar blijft dat vet eigenlijk als je afvalt?

“Dat adem je uit”, is het antwoord van UMCG-arts en onderzoeker André van Beek. “Het is moeilijk te bevatten, maar je longen zijn de belangrijkste organen bij het verlies van vet. Daar zit een uitgebreid stofwisselingsproces achter.”

“Als je 10 kilo vet verliest, adem je dat als 28 kilo kooldioxide uit en je plast 11 kilo aan water weg.”

Kaarsvet

Endocrinoloog Van Beek vergelijkt het verlies van vet met een kaars die brandt. “In je lichaam verbrand je energie en daarbij vallen moleculen uit elkaar, net als het kaarsvet dat in de vlam verbrandt. Wanneer je de wens hebt om af te vallen, ga je meestal minder eten en meer bewegen. 

“Omdat je minder energie inneemt dan verbruikt, moet je  reserves uit je vetweefsel gaan aanspreken. Dat vetweefsel staat inhoud af aan de bloedbaan die het vet herverdeelt naar de plekken waar het nodig is. In je spieren wordt het vervolgens afgebroken tot kleine energiepakketjes.”

28 Kilo CO2

“Je deelt je moleculen dus op in kleinere stukjes die universele brandstof vormen voor het hele lichaam. Dat maakt dat je lichaam kan leven. Vervolgens adem je na dit proces restmoleculen uit: in de vorm van kooldioxide. En je plast of transpireert overtollig water ‘weg’. Stel dat je succesvol afvalt en 10 kilo vet verliest. Dan adem je dat als 28 kilo kooldioxide uit. En je plast ook nog eens 11 kilo aan water weg.”

Waarom je vet op sommige plekken blijft

Wie afgevallen is, houdt vaak op bepaalde plekken van het lichaam meer vet over dan op andere. Van Beek legt uit waarom. “Je hebt daarbij allereerst te maken met geslachtsverschillen. Mannen slaan vet meer op in hun buikregio, vrouwen meer op de heupen en bovenbenen. Ook hormonen, bijvoorbeeld stresshormonen, hebben invloed.

“Er zijn twee compartimenten waar vet zit: onderhuids en in je buik. Tijdens het afvallen verlies je gemiddeld evenveel uit beide opslagplaatsen. Maar onderhuids is het vet meer verdeeld dan in je buik. Daardoor valt het in je gezicht eerder op dat je bent afgevallen, terwijl het vet in je buik compacter blijft.”

Op zoek naar nieuwe kennis voor behandeling

Als dokter behandelt Van Beek mensen met obesitas die bijvoorbeeld ook diabetes hebben of een psychiatrische ziekte of een hart- of longziekte. En hij doet samen met collega’s onderzoek. “Obesitas is zo’n centraal probleem in een ongezonde leefstijl, dat we daarvoor echt een oplossing moeten zoeken”, vindt Van Beek.

“We gaan samen met de afdeling Neurochirurgie een studie doen waarin we onderzoeken of mensen die morbide obees zijn, dus gevaarlijk overgewicht hebben, geholpen kunnen worden met diepe hersenstimulatie - een neurologische behandeling waarbij we met elekroden de hersenen prikkelen om tot een andere activiteit te komen.”

Honger krijgen gaat vanzelf

“We weten dat het systeem dat het gevoel van honger en verzadiging regelt, heel diep in de hersenen zit. Je kunt dat vergelijken met ademhalen: het gaat vanzelf, de hele dag door. Zo is dat ook bij honger: onze hersenen zijn wat dat betreft geprogrammeerd. De een krijgt honger als hij iets lekkers ruikt, een ander als het gezellig is. Dat systeem kan overprikkeld raken. Als het gezellig is, neem je niet één koekje, maar nog een en dan nog een…”

”We hebben in een studie met ratjes al gezien dat ratjes die geleerd hebben heel snel heel veel te eten, dat kunnen afleren. De vraag is nu of mensen ook geholpen kunnen worden met diepe hersenstimulatie. We willen weten of we de beloningscentra zo kunnen herprogrammeren dat het honger- en verzadigingssysteem zich aanpast en na een aantal jaren meer in balans is.”

Samen obesitas snappen en behandelen
“We moeten samen patiënten met obesitas de juiste route wijzen. Daarvoor hebben we meer kennis nodig en samenwerking in regionale netwerken”, zegt Van Beek.
Dat samenwerken gebeurt in het noorden tussen verschillende instellingen, in een netwerk. “Zo kunnen we goed kijken wie op welke plek het beste behandeld kan worden”, legt Van Beek uit.
“De huisarts, fysiotherapeut en diëtist bijvoorbeeld, behandelen mensen met ‘gewone’ obesitas, in het UMCG zien we de mensen met een complexe obesitas. En we doen in het UMCG onderzoek om zo meer kennis te ontwikkelen.”

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.