inzicht in een raadselachtig virus

, door Maaike Muller
foto: Shutterstock

De helft van de wereldbevolking woont in een gebied waar muggen knokkelkoorts verspreiden. Dat gebied groeit, en ook het aantal patiënten dat er ernstig ziek van wordt. Toch is er, ondanks decennia onderzoek, nog geen remedie. “We begrijpen nog niet hoe het virus precies werkt”, aldus UMCG-onderzoekster Jolanda Smit. Met haar fundamentele onderzoek ontrafelt ze de strategie van het denguevirus.

Het is een vreemd virus, dat denguevirus. Naar schatting van de World Health Organisation veroorzaakt het jaarlijks bij 50 miljoen mensen hoge koorts, ernstige hoofdpijn, gewrichtspijn en vaak ook huiduitslag.

Een dengue-infectie, in het Nederlands ook knokkelkoorts genoemd, is meestal na twee weken wel weer over. Maar ongeveer een miljoen mensen per jaar wordt veel ernstiger ziek. Gek genoeg hebben mensen die al eens knokkelkoorts hadden, de tweede keer een grotere kans om de ernstige variant te krijgen.

Tweede keer is gevaarlijk

“Iemand die voor de tweede keer dengue krijgt, heeft een verhoogde kans op ‘hemorragische koorts’. Dan reageert het lichaam zo overspannen op de grote hoeveelheid virusdeeltjes, dat uiteindelijk plasma uit de bloedvaten lekt”, zegt adjuncthoogleraar experimentele virologie Jolanda Smit. “Dat is erg gevaarlijk. De patiënt kan in shock raken en zelfs overlijden.”

Ook baby’s hebben een verhoogde kans op de ernstige variant van dengue. “Dat houdt direct verband met de antilichamen tegen dengue van de moeder die zij via borstvoeding binnenkrijgen.”

Een groot raadsel

Dat iemand meerdere keren dengue kan krijgen, komt doordat er vier verschillende types van het virus zijn, legt Smit uit. “Bovendien komen die vier types bijna overal in het denguegebied voor.”

Wie knokkelkoorts heeft gehad, heeft antistoffen tegen het type virus waar hij ziek van werd. Hij is daardoor levenslang beschermd tegen infectie met dit type. Van de andere types kan hij wel weer ziek worden en hij heeft zelfs een hogere kans op een ernstig ziekteverloop.

Maar waarom heeft iemand de tweede keer meer kans om veel zieker te worden? “Dat is uniek voor dit virus”, zegt Smit. “En hoe het precies werkt, is een groot raadsel.”

Goed beveiligd lab

Met haar collega’s doet Smit fundamenteel onderzoek om erachter te komen hoe het virus zijn vernietigende werk doet. “Het is natuurlijk niet ongevaarlijk om met dergelijke virussen te werken. Daarom mag dat alleen in een MLIII-lab, een heel goed beveiligd laboratorium.”

Daar isoleren de onderzoekers menselijke cellen en voegen er in een petrischaaltje virussen en antilichamen aan toe om te zien wat er gebeurt. Alles willen ze heel precies weten: hoe het virus de cel binnendringt, hoe het zich vermenigvuldigt, met welke eiwitten uit de cel hij interactie aangaat.

“Hier in het UMCG kunnen we heel precies zien wat er gebeurt in de cel zodra een virusdeeltje binnendringt”, vertelt Smit. Virusdeeltjes van 50 nanometer (ter vergelijking: een menselijke haar is ongeveer 80 duizend nanometer dik) zie je niet zomaar. Door er een fluorescerend stofje aan toe te voegen, zijn ze met speciale microscopen wel te zien.

Smit bekijkt het denguevirus met een techniek die Harvard University ontwikkelde voor onderzoek naar griep. Daarmee kan ze zien wanneer en waar het virusdeeltje zijn genetische materiaal loslaat in de cel. “Dat is een belangrijk moment, want dan begint de vermenigvuldiging van het virus.”

Grote stappen

Smit verwacht niet dat ze het hele mysterie snel zal oplossen. “Men doet al decennia onderzoek naar het denguevirus.” Maar ze zet grote stappen. In 2010 publiceerde Izabela Rodenhuis-Zybert, destijds promovendus in haar groep, een belangrijke vinding.

Smit legt kort uit: “Het virus plakt aan een cel, dringt binnen en vermenigvuldigt zich daar. Daarna verlaten de nieuw gevormde virusdeeltjes de cel, om vervolgens andere cellen te ‘besmetten’. Daarbij verlaten ook onvolwassen virusdeeltjes de cel. Deze leken nooit invloed te hebben. Tot we keken wat er gebeurt als je ze samen met hun antilichamen - die het lichaam tegen deze onvolwassen deeltjes had gemaakt – bij een cel voegt.” Dat ook de onvolwassen virusdeeltjes en hun antilichamen bijdragen aan een denguebesmetting, was wereldwijd nieuws.

Een vaccin maken is moeilijk

“Andere dengue-onderzoekers en de farmaceutische industrie doken er bovenop”, vertelt Smit. Want wie knokkelkoorts wil verslaan met een medicijn of een vaccin, wil graag meer inzicht in zijn tactieken. Maar of er nu snel een remedie tegen dengue zal zijn, betwijfelt Smit.

“Het onderzoek naar medicijnen is nog niet erg ver gevorderd. Er is wel een farmaceut die denkt over vijf jaar een vaccin te hebben. Dat zou mooi zijn, maar een concurrerende vaccinontwikkelaar die ook erg ver was, heeft een half jaar geleden toch de ontwikkeling moeten staken. Een vaccin maken is gewoon erg moeilijk, met name door die vier virustypes.” 

Als er een remedie is, is het probleem knokkelkoorts nog niet meteen de wereld uit. “Virale medicijnen moeten snel gegeven worden en dat is in de (sub)tropische gebieden waar dengue voorkomt niet altijd makkelijk. Bovendien kan het virus resistent worden voor medicijnen”, legt Smit uit.

 “Een vaccin zou het mooiste zijn. Maar goed, dan moet je weer de halve wereldbevolking immuniseren. Makkelijk is het niet, maar dengue is een groot probleem dat een oplossing behoeft. Ik draag graag bij aan die oplossing door fundamenteel te kijken hoe het virus zijn werk doet.”

Pagina delen Sluiten
 (optioneel)
Wat betekent dit?

Dit is een controle om vast te stellen dat u een menselijke bezoeker van deze pagina bent en geen zoekrobot.